16-07-05

Lode Kok viert voluit jarige belgitude, voortijdig

Anke Veld, Plateau 4, Deel 1


Tijd.

O tijd.

Mijn trein komt eraan. Op tijd.
Net als vroeger. België is zoals elk stukje realiteit: een normaal mens kan zulke onzin onmogelijk verzinnen. Volgende week is het feest: 175 jaar buitensporige uitspattingen van absurdistische staatmanskunst, échte kunst, ware kunst zoals een bloem die ontkent vrucht te willen dragen. La vie d'artiste, zoals die kettingrokende topless tapkastpoes die in een bodemloze Brusselse bar met haar gescheurde vingernagels de asse uit asbakken schraapt, een verhaal dat je niemand vertellen kan, teveel vet, teveel vuiligheid, te echte afval, onmededeelbare betekenis, een idee dat enkel in komkommertijden opduikt, met dezelfde hardnekkigheid waarmee eens te meer beweerd wordt, in bloederig roze geschreven in de blauwige pulpkrant, dat iemand gisteren ergens een lege fles in slow motion uit de hand van Elvis zag glippen, in scherven spatten op de grauwe asfalt in een steegje waar de ene bouwval de andere aanleunt, oververzadigd van het brakke vocht in de lucht vol lust & verlangen.

Ooit zal ik een verzameling oneliners publiceren, getiteld 'LoDeK DiGiTaaL'. Tweetalig, wat dacht je. Mijn misbaar België. Als je iets denkt/opschrijft kan je onmogelijk weten wanneer exact je het beginnen denken bent & eens het uitgedacht/opgeschreven is weet je van niks meer want je was te verdomd druk bezig het op te schrijven, het uit te denken. Verloren tijd. Waarom moeten pendelaars persé praten tijdens het pendelen? Gelukkig is men 's morgens vroeg nog te verdwaasd om het gekwebbel aan te vatten. De halve slaap doet hen goed, het zwijgen is bevorderlijk voor de lichamelijke uitstraling. Men is mooi. Men zwijgt.

Ooit zullen software agenten mijn woorden gebruiken om marktsegmenten te ontsluiten. Tijdloze gedachten. Vlottend schuim in beekjes detergent & zwaar vervuilde stromen naar net gerecycleerde zeeën. Mijn breuklijn België.

Maar let op: in de nabije toekomst is ook geschreven dat fraudulente datadealers een loopje gaan nemen met de feiten, ze zullen je trachten voor grof geld geschriften van mij te verkopen met een exacte timestamp: als je die bestanden leest zal alles wat je ooit gelezen hebt onherroepelijk uit je geheugen gewist worden, inclusief wat je leest, al lezende zal al het geschrevene verdwijnen tot je enkel nog een vage herinnering overhoudt, het beeld van jezelf als klein meisje, je ziet jezelf het schoolbord afvegen met in je tere schouderbladen de priemende blik van vette Ronald, de enge meester met de walmadem en de klamme grabbelhanden. Mijn frietkraam België.

Ooit zal ik mijzelf loopen, met miljoenen kanonnades commando's machines langzaam dwingen mijn lyriek in andere machines te hardcoden, zó dat ik ze van man tot scherm ontmoeten kan, met hen de stad kan afdweilen, zuipen, dansen, neuken, naast hen wakker worden, 0 verliefd & daarna 1 onverliefd op hen, nachtenlang hun aandoenlijke verhalen noteren, wat ze me nauwelijks verstaanbaar toefluisteren over hun gebroken harten, wat ze mij half blèrend met een verschrikkelijk frans accent over hun verloren jeugd toesnikken, hoe hun heroische vaders hun dood insnelden toen het ouderlijke huis na een bomaanslag in de fik stond, hoe onverschrokken ze de vlammen indoken om het jongste tv-toestel te redden & die code, die lillend emotionele verse code zal ik dan op haar beurt uploaden naar ontelbare wolken onzichtbare nanobots, ze zullen de regendruppels met droefheid beslaan, sluipend als het woordje sluipend in een scenario van Roland Emmerich de luchten zwanger maken met een vleugje nauwelijks waarneembare geur, een met brede vioolstrijken begeleide huilerige tragedie in de lucht terwijl ik op het dak van een hotel stilletjes zit te treuren om Anke, net voor ik spring nog de in de samsonite verpakte, thuisgekweekte cacti voedende met emmers van mijn zilte lichaamsvocht, door de middelpunt vliedende vloedgolf van tranen heen de tijd vervloekende, het ogenblik zelf, omdat niets ooit vergaat, niets de vergetelheid inschuift, niets kan vergeten worden, niet de hand die zich nu door mijn buikwand ploft & voor de grap mijn organen weegt, niet de eeuwige honger, niets dat bij niets ooit voldoende iets is om een eind te maken aan de last van het telbare zijn, een prefix voor noembare pijn, een suffix aan verhaalde horror, een doodgewenst verlangen. Mijn bühne België.

Lichaam op trein. Belgisch lichaam op een belgische trein anno 2005, die huizen/straten/bomen/hondend blaffend in achtertuinen/huizen/hangars/huizen/bomen voorbijsnelt in zoemende zweefvlucht. Een nieuwe vorm van bewustzijn die zichzelf van voetnoten voorziet, de toepassing van het lichaam op de trein die zich bewust wordt van toepassing te zijn, lichaam te maken, een vorm van zijn met effect op haar plaats & op zichzelf, zoals schepen water maken, zoals de trein de sporen maakt. Kijk niet naar mij: ik zit te zwijgen, ik doe niks. Dat meisje met de rode haren daar op het perron in Landen, kijk hoe bang die is, doodsbenauwd van hoe ontzettend mooi haar haren net niet de rand van haar groene jurkje raken op haar blote schouders terwijl ze naar de trein toestapt, haar ogen zijn scherven, glinsterend van wanhoop. Wijs niet naar mij: ik zwijg al. Ooit zal mijn code de lucht zijn die je ademt, maar je zal er niks van merken. Binnen enkele ogenblikken komen we aan in St. Truiden. Station St. Truiden. Mijn jachtveld België, mijn duiventil.

Ooit zal ik terug in jou geloven, zal ik nauwgezet al je woorden herschrijven, woord per woord, zodat ze niet langer als een bijbelse allusie hangen te zweven in het onbestemde vrije veld van ongeschreven taal, niet zoals in deze zeurderige getuigenis, dit gemurmel van een aanwezigheid in mij, deze gewaarwording van jou in mij die je afwezigheid oproept zoals de trein naar zijn sporen roept, methodisch momenteel-repetitieve ontsporing tegen hoge snelheid, zoals dat mooie klapgeluid dat mij nu met grote klaarheid van toon wordt ingeblazen, de exalterende monotonie waarmee het lege blikje coco-cola op de snelweg herhaaldelijk platgereden wordt: rij maar wagen rij maar 'an, rij maar wagen rij maar klak.

Mijn kruipgat België. De regen viel in trage vlagen toen ik uit je slonk, alsof alle sterren in het universum voor een keer besloten hadden om het ergens over eens te zijn. De volgende halte is Alken.

LØDeK @xx/xx/2005

01:08 Gepost door dv | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.