10-10-06

de weiden wij, uw dans is een rei

De koorzangen ik

Het werkpaard recht de rug het werkpaard spreekt:
“ Gunt mij het recht, het slecht, het oud, het all-ge
meen,
Het onbemorst gebruijck van wat ghij hebt gesproken”

De stal knort & draait zich om in haar stal
Morst wat mest op het stro & de mest
Druppelt een fijn straaltje geel in het gele
Spaarlampenlicht.

Het licht loopt uit, het
Baalt om het beest in het licht
Dat door talloze teken bebeten
Zelfvoldaan dreigt
Om te vallen, kaatst

Zich een teil uit
Het oog in van de bevallige
roskamster, het meisje Chicklitzdochter
(die denkt al gauw zich recursief poreus
als ze zich denkt naar behoren
te moeten lek slaan aan de
inmiddels wijds en langzaam openslaande

dakramen velux
naar maansverschuivingen dell
boven slome rivieren ikea).

o Wat een ongein. o Wat een vre-
selijke janboel.

Want ja Hoor
Dra gaat het Koor
af: (zo:)

20:42 Gepost door dv in 2 Lyriek met grote L, | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.