06-12-06

Bij Horus de hort op

Het zit toch ietwat mis met dat 'horten' in het ding "Met Isis de trein op..." hieronder.

In hedendaags Nederlands kan het volgens Van Dale enkel in de betekenis van horden, zeven overgankelijk gebruikt worden, het Mnl kende nog het overgankelijk gebruik in de betekenis van aansporen, zie WNT:

HORTEN (I), onz. en bedr. zw. ww. Mhd. hurten, mnl. horten, hurten. Ontleend aan het Fransch: ofra. hurter (nfra. heurter), eigenlijk een technische term van het tornooi. Verg. HORT, 1ste art.
1) Onz. — Stooten, schokken, botsen, absoluut of met eene bepaling, b. v. met tegen. Ook in figuurl. verband: hokken, haperen, stuiten enz. || Hertstochten ... meest horten teghen reden, SPIEGHEL 65. Schoon die (eene flesch) maer en hort, en niet in stucken brack, Noch enz., CATS 1, 524 b. Hortende met de punten der speeren tegens de vloer, HOOFT, Henr. d. Gr. 166. 't Horten des bestands, HOOFT, N. H. 642. De benden horten tegens een, VONDEL 5, 353. Breek ... geen goed ..., Met al dat horten, stooten, rukken, ALEWIJN, J. Los, 30. (Hy) trapt my op de teenen, Of ... hort my tegen 't lijf, BILD. 12, 55 (zie ook 2, 247; 403). Gekraak Van hortend ijs, TOLLENS 5, 129. Hortende boerenwagens, VISSERING, Herinn. 1, 57.
— Het tegenw. deelw. als bnw. gebezigd beteekent: stooterig; niet eenparig, niet gelijkmatig. || Hortende bewegingen (van een rijdier), GEEL 203. Onze taal, ... nog zoo hortend en stootend, wordt (allengs) ... smijdig, VEEGENS, Hist. Stud. 1, 26.
— In bijwoordelijk gebruik: stoots-, schoksgewijze, met stooten of schokken. || De korte zinnen werden eenigermate hortend uitgestooten, QUACK, Stud. 205.
— Tegen God (willen) horten komt voor (bij CATS 1, 58 b) met de bet. van zich tegen God (willen) kanten, verzetten.
2) Bedr. — Aanzetten, voortdrijven, t. w. een paard, met de stem, de sporen enz., in 't Mnl. zeer gewoon. Van daar bij overdr., figuurlijk: prikkelen, tot lust verwekken. || Die ... grave ... horte sijn peert, Nederl. Volksb. 1, 38 (Roncev.). Hortende sporen des vleeschs (wellustige prikkels), V. BREUGEL, Boccat. 16 a.
Afl. Hortig, gehort (zie die woorden).
Samenst. Aanhorten (zie ald.); samenhorten, opeenbotsen („Als ghy ... de mannen (saeght) t'saemenhorten (in een gevecht)”, VONDEL 2, 277).

Ik zat ook met het aansporende gebruik van HORT (V) in m'n hoofd:

HORT (V) — daarnaast HORT SEK (HORTSEK) HORT SIK (-SIK) —, tusschenw. Uitroep om een trekdier aan te zetten: voort! (vort!). Over de bet. van sek (sik) is gehandeld in Tijdschr. 11, 31 vlg.; 12, 300 vlg. || Hort sik, paardje! Kinderrijmpje bij BOEKENOOGEN 351 (verg.? horte page! in Bakeren Kinderr.4 130). Hort! hu bonk! ROBBERS, A. De Boogh, 14.
— De uitroep hortsik! wordt wel als m. (of onz.) znw. gebruikt met de bet. van: (slecht) paard, knol, biek; aan de Zaan met die van: paardenslachter en van: paardevleesch (zie nader BOEKENOOGEN t. a. pl.).

Verder Van Dale
2.horten (overg.) horden, zeven: tarwe, grind, cokes horten.

In WNT vind je de verwijzing HORTEN (II), ww. Zie HORDE, 1ste art., Afl.

HORDE (I) — in geassimileerden vorm HORRE en vervolgens verkort tot HOR —, znw. vr. Daarnaast o. a. wvl. hurde, zaansch en vla. hort, veluwsch hurt (hort). Got. haúrds, on. hurd, ohd. mhd. hurl, nhd. hürde (men vindt ook horde), meng. hirde (verg. daarnaast ags. hyrdel, eng. hurdle), ond. hurth, mnd. hort, hurt, mnl. horde, hurde en hort. Horde is verwant aan Idg. woorden die alle 't een of ander vlecht- of mandewerk beteekenen, waartoe b. v. gelijkbet. lat. crates behoort, en die zijn gevormd van een ww. dat vlechten beduidt.
1) Een, uit met rijs omvlochten staken bestaand, plat vlechtwerk dat hetzij los en verplaatsbaar is, hetzij, gelijk b. v. bij militaire versterkingen, ter plaatse om in den grond gestoken palen wordt gebreid. Anders (b. v. in de Neder-Betuwe) tuin genoemd (verg. ook mnl. hordebreyer met den geslachtsnaam Tuynenbreyer). || Een horde, hurde, oft vlaeck, PLANT. — Korven, horden en wannen, VONDEL 5, 79. Sy breyen hordekens van rys, WESTERBAEN, Ged. 3, 261. De horden zijn platte vlechtwerken van ongelijke grootte, STORM BUYSING, Waterbouwk. 1, 579. De bekleeding der borstwering met horden, V. KERKWIJK, Versterkingsk.5 170.
— Misdadigers werden vroeger soms op eene horde (hort) verbrand (VERDAM 3, 588 en 606); de zelfmoordenaars werden op eene horde naar het galgeveld gesleept (zie DE GROOT, Inl. II, 1, § 44). || Soo brocht hy deen om den hals met der coorden, Dander met den sweirde op schavotten en hoorden, HOUWAERT, Gener. Loop, 133.
— Eene horde kan ook dienst doen als vlot. || Eennen hoirt ... daer hij me mochte ... overvaren die wilde zee, DE DENE, Test. 277 b (verg. bij DE BRUNE, Bank. 2, 188: op een vlot, of op een horde).
— Uitdr. en zegsw. || Zoo mager als eene horde, HARREB. 1, 333 b. Zoo droog als een hor (OPPREL). Zoo stijf als eene hurde (DE BO; JOOS). Een (stijve) hort van een kerel (BOEKENOOGEN).
2) Raamwerk dat over het land gesleept wordt om kluiten te breken (DE BO) of om modder en mest te slechten (BOEKENOOGEN). || Een jonge knecht (stond) op zijne effenende horde, zich met moeite in evenwicht houdend, terwijl het paard enz., LOVELING, Idon. 78.
— Hierbij vermoedelijk de volgende zegsw. || Iemand onder de horde hebben: „hem onder magt en bedwang hebben” (TUINMAN 1, 328).
3) Ruit- of traliewerk tot het ziften van kleine aardappels, grind, sintels en derg. Hierbij het ww. horden (horren), horten. || De aardappelen over de horre gooien, MOLEMA.
— In zegsw. || Hy is doer een hort gesift, SARTOR., Adag. III, 6, nº. 99. Men moetet de Boeren door een horde siften, MARNIX, Byenc. 4, 3 (bl. 186 a).
4) Een, van latwerk of traliën, vlechtwerk of gaas voorzien raampje dat men voor de ramen of in de vensteropening zet tot bescherming van het glas, om het inkijken te beletten, het inwerpen van vuil te verhinderen enz. || Horde in de venster, KIL. — Deckt u glasen niet met ... horden, V. HEEMSKERK, Minne-kunst, 128. In een voorkamertje aan een venster met een hordetje bedekt, V. EFFEN, Spect. 5, 203. Koussen ... breijen, en door de horretjes gluuren, Leev. 6, 376. Over het horretje kijken, BEETS, C. O. 158. (Aanbesteding van) het onderhouden van jaloezieën, gordijnen, vloerkleeden en horren der gemeente-gebouwen (te Leiden, aº. 1903).
5) Verder komt verschillend vlecht-, tralie-, of raamwerk met den naam van horde voor bij de wolbereiding, in de papiermakerij, als afschutsel voor vee of gevogelte (eenden), of als tusschenschot, enz.
Afl. Horden (horren), horten, ww.: 1º. het land met de horde bewerken (zie de bet. 2); 2º. op eene horde zeven, ziften (zie de bet. 3) („Aardappelen, gruis, grind horren”; „Een schuit gehorde grind”); zie verder BOEKENOOGEN 351, ook voor de afl. horter, -ster. — Hortig, (zie ald., de bet. D).
Samenst. (in de bet. 1) Hordroog (zie OPPREL); hordenren, nhd. hürdenrennen, beide naar eng. hurdlerace, wedren met horden als hindernissen; hordepaal (V. KERKWIJK, Versterkingsk.5 170); hordewerk, wat als eene horde is gemaakt („Eene ... dood-baer ... Van ... horde-werck”, WESTERBAEN, Ged. 3, 397). — In de bet. 4) Horrengaas.
— Als tweede lid (in de bet. 1) Schildhorde (VONDEL 5, 292). — In de bet. 3) Grind-, gruishor(de). — In de bet. 4) Raamhor. — In de bet. 5) Biehurde (Dl. II, 2566).

El al dat gedoe om de connotatie van iets niet onverdeeld prettig dat bij het bekende 'op de hort gaan' hoort, in de tekst te houden. Om het gebeuren met miss I. de trein op spannend te doen klinken. Een correctie volgt maar ik ben meteen heel het ding maar aan het herschrijven, & d'r komt ook nog een leuk visueel allegorisch ofishetnou hylomorf curiosum aan te pas

18:58 Gepost door dv in prrt | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.