04-09-07

de toestand is ingewikkeld

lles

 

Wat heeft in hemelsnaam generatieve muziek, het bedrijven van het ineenwikkelen van woorden in een poëtisch verband of het volkliederen van stukjes dik, ruw & dus voor nattigheden ontvankelijk papier te maken met het nemen van beslissingen in regeringen aangesteld door een zogenaamd democratisch georganiseerd verkiezingsproces inzake, ik zeg maar wat, vreemdelingenbeleid?

De structuur van die vraag, en ook de overduidelijke onzin ervan, zit als een draak van een staketsel in het concentrische, het gericht zijn op een middelpunt, een individu dat met al die zaken simultaan op 1 of andere manier bezig is.

Een spiraal naar binnen toe, omdat dat bij progressie (ik gebruik dat 'moeilijke woord' met de latijnse wortel  om het woord vooruitgang te vermijden) van de gedachten de enige weg is.

 Bezinning op de eigen activiteiten, hoe futiel ofwel de bezinning, ofwel de activiteiten ook zijn, is altijd naar binnen gericht en het zuigt de problematieken mee in een centripetale beweging, oepfloeps door de poort, het nulpunt van die beweging, dat wat we gemakkelijkheidshalve het ik noemen.

Het ik is een constructie bij gebrek aan ander woord. Als we een ander woord hadden dat beter was als 'ik', zouden we moeten zoeken naar een derde woord dat beter was dan dat tweede woord.

Het opbouwen van een constructie om het bewustzijn te beschrijven is een talige noodzaak die haar beperkingen oplegt aan de rest van het betoog. Wat wil zeggen: vanaf dit punt geraken we alleen maar verder wég van het reële, dieper in de spiraal, we stellen de vraag vanuit het afwezige middelpunt, want, dat zagen we, daarvoor hebben we eigenlijk geen woord.

We doen met het ík wat we doen met het reële: we stellen het vast door er ons van te verwijderen, de semantische localisering is er 1 wég van de Afwezigheid, wég van het Onbespreekbare.

En vanaf dat ogenblik  denken we dat er een 1 bestaat.  We hebben het Zijn uitgevonden, een ding blijkbaar want je kan het substantiveren. Kunnen we het dan ook stapelen?

Maar de afscheiding van de stem van de stilte, de differentiatie van het beginnen-spreken is altijd een onherroepelijke beslissing. Je maakt telkens de stem door ze een aanvang te laten vinden. Bewust of onbewust is dat een beslissing. Maar van wie? En is het niet onvermijdelijk een beslissing die nergens op stoelt, die nergens op rust?

De stem van het spreken schept zichzelf, het is per definitie een creatieve daad, maar het uit vanwaar de stem vertrekt is uiteindelijk onbepaalbaar en wat er gezegd wordt kan net zo goed baarlijke nonsens zijn, of een een kwaadaardige vervloeking  of een schreeuw of een angstkreet of een nauwelijks hoorbaar gemompel  bij het aanschouwen van net iets te veel schoonheid. Het komt er wellicht op aan om die uitingen niet als keuzes maar als potentialiteiten te laten gelden, dus geen orde van het óf dit óf dat maar van het én dit én dat...(Deleuze).

De spiraal is dus ook een verglijden op het 'ik' wég van de eigen spiraal, enfin dat zou het moeten zijn.
In het huidige culturele bestel met zijn gerichtheid op de lafhartige productie van glanzende kaftjes om het ego te strelen van enkele luiwammessen en kwispels die zichzelf dichter of auteur noemen (ten koste van het tot zwijgen en slikken verdoemde gepeupel- enfin hoe kan je dat ánders begrijpen als men het zo stelt), schiet daar natuurlijk niet zoveel van over.  Daar geldt niet de orde van het óf, noch die van het én maar die van het ezeltje in Schreck druk gesticulerend in de rekken van de Grand Bazaar: "ja ikke, ja ikke, pak mij".

Hoe zouden  we anders uit de kosten geraken?

Soit. 

Hoe is dus die 'vreemdelingentoestand' in relatie tot, ik zeg maar wat, het 'kliederen'? Maar waarom trek je dan het betoog zo vér door?

En wat met de antwoorden?

 

ingewikkeld

10:02 Gepost door dv in prrt | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.