Ik vlucht uw fijnst vertakte reiken krimpende in. Het dons in zal ik vallen van de eindeloze velden der golvende trilharen, zo dat onder mijn luttele gewicht nauwelijks zich buigen zullen de microvilli, zo dat mij opstulpen moeiteloos de pseudopoden & ik in het onooglijke vervlinder, pluripatisch het klemmende bereik der vorkende kennis uitfladder, mij vrij van zin in de schemerzone tussen woord en stof verhul. Niet langer zult gij mij noemende berichten kunnen, niet langer zal mijn naam uw roepen richting geven. Ik vlucht uw fijnst vertakte reiken krimpende uit. Tot u mij zwelgt zal ik uw lichaam penetreren. Geen centrifuge zal mij dan nog deren. Geen 5 miljoen omwentelingen per seconde Zullen dan volstaan om mij nog van uw hart Te scheiden. In deze nietigheid zal ik Oneindig lang & pluriform in u bestaan. Geen memoreren zal substantie in mij vinden. Geen distinctie zal een meternaald doen uitslaan. Geen kleur heb ik, geen ruimte nog zal ik beslaan. Mijn woord zal in uw aders hydrofobisch kolken. U kan uzelf niet zonder mij nog situeren. Tot ik u ben zal ik uw lichaam penetreren.
Waar gij dwalende uzelven zoekt zult gij mij vinden. Op markten waar gij stof aan stof houdt met een onverschil Van kleur & weving, in gaanderijen die gij hopeloos Om duiding kretend hijgende doorjaagd zonder doel, Op schermen die u leiden van uw onrust naar de onrust om uw dood, bij het naken daarvan in uw laatste woord wanneer de zin zich scheiden zal van klank en letters wanneer het pure rede lijken aanvang neemt & schijn zich in de verste melodiën gaat verschuilen voor het kwijnt & smelt wat u van mij verwijderd houdt, wanneer de muur waarop gij uzelf & mij tot manend woord verschrijft, Wanneer gij lezende uzelven schrijft, zult gij mij vinden.
27-12-2006, 21:23:33 dv
|